Een dag uit het leven van een agent

Door Redactie op Dinsdag 18 juli 2017 11:53   Regionaal   boot, mij, hoorBron: Facebook Politie Alkmaar


Een dag uit het leven van een agent

ALKMAAR - Het is zondag 16 juli 2017 als ik in de ochtenddienst zit. Ik doe dienst op de motor en luister mee met de meldkamer (Operationeel Centrum). De eerste uren van de dienst waren rustig en ik wil vanuit Heiloo terug rijden richting Alkmaar. Ik hoor dat mijn collega’s in Alkmaar een melding krijgen bij de Kraspolderbrug. Ik hoor dat het gaat om een ongeval en dat een persoon buiten bewustzijn is. Vanuit Heiloo kan ik op de motor snel bij de genoemde plek zijn. Ik meld mij aan bij het OC en ik krijg te horen dat ik ook met toestemming ter plaatse mag gaan.

Ik sta op dat moment nog op de Zeeweg in Heiloo voor de spoorbomen te wachten totdat een trein voorbij is gegaan. Om duidelijke te maken dat ik haast heb zet ik alvast mijn blauwe lampen aan. Ik zie achter en voor mij auto’s staan te wachten. Ik probeer alvast te kijken naar de komende rotonde. Ik zie dat het rustig is dus kan straks een beetje doorrijden. Ik zie dat de trein voorbij is en de spoorbomen open gaan. Dan begint de rit naar Alkmaar. Voor de eerste kruising zet ik ook mijn geluidsignalen aan en ik zie omstanders naar mij omkijken. Niet veel later rijd ik op de Kennemerstraatweg richting de ring van Alkmaar.

Hier wordt weer duidelijk welke bestuurders wel en welke niet in hun spiegels kijken. Gelukkig zie ik de meeste bestuurders wel reageren en vrij baan voor mij maken. Met de motor kan ik ook de kleine gaten tussen het tegemoet komende verkeer benutten.

Dan hoor ik dat er wordt doorgegeven dat het mogelijk gaat om een ongeval tussen twee boten. Ik bedenk mij nog hoe ik daar het beste mee om kan gaan. Hebben wij een boot beschikbaar? Waar kan ik zo dicht mogelijk bij de boot komen straks? Ik weet dat de Kraspolderbrug aardig hoog is met veel geluids- en windschermen daar omheen.

Als ik mij dat bedenk hoor ik dat de meldkamer uit gaat van een reanimatie. De persoon zou vanaf een boot in het water gevallen zijn. Het hoofd van de persoon wordt boven water gehouden. Ondanks dat ik deze al meerdere reanimaties heb gehad, gaat niet alleen mijn hartslag maar ook het rijtempo omhoog. Het gaat hier nu om leven en dood!

Al snel ben ik op de ring van Alkmaar, de Smaragdweg op en naar de N242. Dit rijdt voor mij veel makkelijker door de meerdere rijstroken. In mijn hoofd spelen al enkele scenario’s wat ik kan gaan doen straks. Als ik ter plaatse kom is er wat onduidelijkheid. Ik zie dat de ambulancedienst en twee andere collega’s ook al ter plaatse zijn. In de vaart varen twee boten waarvan mij niet bekend is waar de persoon bij is. Er wordt gezocht naar een plek om aan te meren, maar die zijn er natuurlijk niet op deze plek. Ik zie dat de bestuurder van de boot zo dicht mogelijk langs de kant probeert te komen. En dan zie ik op een achterdekje van de boot een man zitten op zijn knieën. Ik zie dat hij een persoon vasthoud die in het water ligt. Ik zie de wanhoop van de man en wil hem zo snel mogelijk helpen.

Ik ga tussen de brugleuning en de geluidswal door en begin mijn tocht naar beneden door het hoge gras. Voor mij loopt de chauffeur van de ambulance. Beneden aangekomen begin ik een tocht door het riet. Ik probeer zoveel mogelijk riet plat te trappen om een looppad te creëren. Ik zie dat de ambulancechauffeur achter mij aankomt. Ik probeer te zoeken naar de waterrand om zo lang mogelijk droog te blijven en niet zelf in het water te vallen. Ik zie dat ik steeds dichterbij kom en bijna bij de boot ben. Ik hoor dat de man op de boot naar mij roept dat ik het touw kan pakken. Ik zie dat de man met één hand de persoon vast blijft houden en met zijn andere hand een touw gooit. Op dat moment begin ik te twijfelen. Ga ik nu voor de persoon die in het water ligt, of ga ik nu voor het touw? Ik besluit om voor het touw te gaan die vlak naast mij ligt. Ik trek met al mijn kracht de boot nog dichter naar de kant. Ik zie dat de ambulancechauffeur vanaf de kant met één been op de boot kan gaan staan. Ik zie en hoor dat een andere collega van mij ook is aangesloten. Samen met hem trekken zij de persoon vanaf de boot en het water naar de vaste wal. De persoon is helemaal bleek en reageert nergens meer op. Ik weet dat wij aan de slag moeten. Ik zie dat de persoon naar een kleine open plek wordt gesleept waar de verpleegkundige klaar zit. Ik weet dat de ambulancechauffeur en de verpleegkundige elkaar nu hard nodig hebben. Dan roep ik naar hun dat ik ga beginnen met reanimeren. Ik zet mijn handen op de borstkas en begin met reanimeren. Niet veel later komt ook de tweede ambulance ter plaatse en neemt één van de ambulancechauffeurs mijn reanimatie over.

Dan hoor ik het geluid van een helikopter, in de lucht zie ik de traumahelikopter aankomen. Omdat ik mijn handen vrij heb loop ik naar de dijk waar de helikopter kan landen. Ik weet dat de piloot zelf zijn plek kiest maar ik probeer met handsignalen aan te geven dat dit een optie is voor hem. Ik zie dat de piloot er net zo over denkt en inderdaad op deze plek zijn landing inzet. Ik zie dat hij op het schuine deel van de dijk uitkomt. Met handsignalen geef ik aan dat hij iets meer naar de waterkant moet gaan. Ik zie dat de piloot zijn duim opsteek en iets meer naar de waterkant vliegt en de helikopter aan de grond zet. Als ik terugloop naar de collega’s welke hard aan het werk zijn met de reanimatie valt mijn oog op een andere fenomeen ‘’ramptoeristen’’. Bij de brugleuning staan denk ik wel 10 tot 20 mensen te kijken hoe wij aan het werk zijn. Omdat ik bij de reanimatie overbodig ben loop ik naar boven. Ik stuur de mensen weg omdat zij hier niets te zoeken hebben. In mijn achterhoofd is de persoon die daar half uitgekleed wordt gereanimeerd. Ik vind het eigenlijk onbegrijpelijk dat mensen hiertoe in staat zijn. Om het even netjes af te zetten ga ik opzoek naar afzetlint. Dit duurt even omdat de meeste dienstvoertuig zijn afgesloten. Als ik weer terugloop zie ik weer een groep mensen staan. Ook deze mensen verzoek ik om weg te gaan. De meeste reageren en draaien weer om. Ik zie dat een man met zijn fiets in eerste instantie blijft staan. Ik hoor hem zeggen ‘’misschien moet je even een lintje spannen’’. Ik vertel nog tegen de man dat hij mijn werk niet hoeft uit te leggen en dat hij geen idee heeft waar wij mee bezig zijn. Ik verzoek hem nogmaals om weg te gaan waarop hij met fiets en al omdraait. De man die ernaast stond maakt het echter nog erger. Hij blijft gewoon staan en loopt voor mij langs naar de brugleuning om even goed zicht te krijgen. Als ik hem vraag om weg te gaan stelt hij aan mij de vraag ‘’wat is er gebeurd’’? Ik zie dat hij vervolgens weer verder gaat met kijken naar de persoon die nog steeds gereanimeerd wordt. Als ik de man verzoek om weg te gaan probeert hij nog een vraag te stellen en te blijven staan. Ik maak de man nu duidelijk dat hij echt weg moet gaan. Ik zie dat de man dan toch maar omkeert en de andere kant op loopt. Daarna heb ik het eerste de beste lint opgezocht wat ik kon ophangen. Ik neem mij voor dat de eerste die daaraan voorbij gaat een welverdiende bekeuring van mij krijgt.

Als ik mij omdraai zie ik hoe alle diensten aan het werk zijn. De diensten werken allemaal zo goed samen dat alles soepel verloopt. Ik hoor zelfs dat de persoon weer hartslag heeft. Ik weet nog even snel twee foto’s te maken om dit beeld met jullie te kunnen delen. Dan zie ik de ambulancechauffeur waar ik mee bij de waterkant was. Hij vraagt mij of ik de kruising bij de Friesebrug kan stil leggen. Ik hoorde dat hij een stukje wilde spookrijden om zo snel mogelijk bij het ziekenhuis te kunnen zijn. Dan stap ik weer op de motor om alles in gang te zetten. Op zijn aangeven rijdt ik naar de betreffende kruising van de Kanaaldijk en de Wageweg. Daar zet ik al het verkeer stil totdat de ambulances zijn langs gereden. Daarna is het voor mij tijd om te gaan lunchen en rijdt ik rustig terug naar het politiebureau.